Hoofdstuk 6 uit het boek van Ahmed Naji ‘Het Gebruik Van Het Leven’

Vertaald door Karima Souliman Bazi, Nienke Weiland, Rahma Bavelaar en Rajae Mouadden:

This Dutch translation will be read a day early — tonight at 8 p.m., in Nieuwe Kerk in Amersfoort, by the internationally acclaimed Dutch novelist Jan Brokken. Many thanks to everyone who worked on it.

Dit betekent niet dat er geen mooie dagen waren in Cairo. Er waren door het jaar heen betoverende dagen, sommige in de lange zomer en vele in de korte winter. Het waren allemaal vakantiedagen of dagen waarin er geen werk was. Ze zeggen dat de stad nooit slaapt, dat ze uit haar voegen barst. De stad draait en keert. De stad vertakt zich. De stad schokt en vloeit over. Mensen krioelen door fabrieken, bedrijven, restaurants, cafés, moskeeën, kerken. Mensen kopen en verkopen. Mensen pissen.

 

Het productiewiel draait altijd door, ondanks de drukte. Zo ziet het eruit voor een adelaar die overvliegt maar voor een jongeman of een muis die met het productiewiel meedraait is het alsof hij op dezelfde plaats blijft en niet vooruit komt. Hij gaat naar zijn werk, doet zijn werk en krijgt er misschien een redelijk salaris voor. Alleen resultaten voelt hij nooit, zelfs als ze er zouden zijn, want ze leiden tot niets. Of hij nu werkt of niet, het wiel draait door en hij deint mee met de golven.

 

Na het feestje bij Youssef Bazzi thuis, ging ik samen met Moud, Mona en wat vrienden naar Moud’s appartement in Garden City. De uitgaansnacht ging over in de ochtend terwijl we hash rookten en met elkaar wedijverden om zo snel mogelijk een hele fles wodka leeg te drinken. De muziek deed aapjes tevoorschijn komen die aan het plafond plakten. Er was een blond Duits meisje dat met haar linkerbeen het ritme van de muziek volgde..erecties kwamen op. Een jonge Palestijnse Amerikaan die geen Arabisch sprak vertelde veel over racisme. Rook, sigaretten, hash en nog meer rook.

 

Kiko keerde zich om naar mij met bloeddoorlopen ogen en een afwezige blik; “Bassam, ik heb rook in mijn ogen.” “Doe rustig aan, schatje.” Ik pakte een zakdoekje, legde hem op haar oog en blies zachtjes. Het Duitse meisje keek verbaasd. Toen ik het zakdoekje weghaalde namen de poriën van mijn handpalm de zachtheid in zich op van Kiko’s bruine huid. Ik gaf haar een lichte kus op de lippen.

 

“Weet je dat er een soort seksuele fetisj bestaat die ‘pupil-likken’ heet?” zei het Duitse meisje in het Engels. “Wat bedoel je?” Moud mengde zich in het gesprek: “Ik heb er wel eens over gelezen.” Kiko liet haar weerzin blijken terwijl ze haar armen om mij heen sloeg: “Dat is walgelijk.”

 

Wat kan een twintiger doen in Cairo? Pupillen likken? Kutten of lullen likken? Zand likken of hash inhaleren, vermengd met slaapmiddelen?  Hoe lang blijft een fetisj opwindend, lustopwekkend? De mensen die in deze kamer zitten hebben in hun jeugd, tijdens en na hun studie veel drugs geprobeerd. Het zijn afgezonderde eilandjes die, buiten het samenkomen, geen enkele zin hebben kunnen vinden in het leven. Ze blijven alleen in leven door iets van vreugde uit elkaar op te zuigen.

 

Mona May stond bij de speakers. Haar ogen wijd gesloten alsof ze van binnen samen was met de apen op het plafond. Haar lichaam bewoog mee met de beat die uit de speakers weerklonk.

 

Gaandeweg werd duidelijk hoe saai drugs waren. Of om precies te zijn, dat ze niet genoeg waren. Als iemand van ons zich compleet zou overgeven aan de drugs, zou zijn leven binnen enkele maanden over zijn. Dat was wat de ervaring en de wetenschap ons zei. Wij, in deze kamer, waren te laf om ons leven te beëindigen op deze manier of welke manier dan ook. Waarschijnlijk omdat we vasthielden aan hoop en verbonden waren door vriendschap en liefde.

 

Voor alles wat Cairo haar inwoners aandeed, gaf ze hen slechts onvermijdelijke vriendschappen terug, die niet zozeer het gevolg waren van vrije keuzen maar van een zekere lotsbestemming. Het gezegde klonk: “Hij die naar Cairo gaat, zal daar zijn gelijke vinden.”

 

Roken deed je niet alleen. Eten had alleen smaak als er iemand was die je gezicht met een goedkeurende glimlach bestudeerde, terwijl je mond kauwde op voedsel vol kankerverwekkende stoffen.

 

De geluksvogels in deze stad waren diegenen die de fase van seksuele frustratie voorbij waren en seks konden beschouwen als slechts een klein facet van de vele facetten van een vriendschap. Seks werd anders  constante geilheid. Kiko wreef over mijn rug en ik voelde de spanning tussen mijn benen.

Toen de ochtend naderde, ging Moud naar zijn kamer en iedereen naar huis. Ik was te lui om naar 6 Oktoberstad terug te keren. Ik sliep liever op de bank. Ik werd vroeg wakker met lichte hoofdpijn alsof mieren, wandelend met hun pootjes tussen mijn schedel en hersenen, op mijn zenuwen drukten. Ik ging naar de badkamer en nam een pilletje van Moud die hij uit het buitenland importeerde om zijn ‘hangovers’ te bestrijden. Ik nam een lange douche met warm water, pleegde een telefoontje terwijl ik me aankleedde en maakte een afspraak met miss Lepel om te ontbijten in restaurant Thomas in Zamalek.

Onderweg leken de wegen schoongewassen; autoloos en zonder voorbijgangers. Het was een feestdag, misschien was het islamitisch nieuwjaar, de dag van de Overwinning, de dag van de Revolutie, of ‘Meerval-visdag’. Wat het ook was, de stad was slaperig en de mensen afwezig. Ik herkende de stad niet op zulke momenten. Als ik van de Qasr al Aini-weg naar Zamalek kon komen in minder dan twintig minuten, had ik het gevoel dat ze me plotseling het hof maakte, dat ze me een sluwe lach toewierp. Tussen de regels door hoorde ik haar stem “Ieder moment kan ik je laten vaststaan bij een stoplicht. Dan kun je niets anders doen dan je verdriet en je obsessies voelen opkomen, terwijl je energie verdwijnt in de herrie en je leven langzaam uit je sijpelt.” Bloed dat uit open aderen in het bad spuit.

Ik ontmoette miss Lepel voor de deur van het restaurant. Ze had een lange witte jurk aan die haar armen bloot liet en wat decolleté gaf. Ze kuste me op mijn beide wangen terwijl ze zei dat ik lekker rook. “Ik heb een geurtje van Moud gebruikt.” Het was haar nek die me voor haar deed vallen. Ze was negen jaar ouder, maar ze was zuinig geweest op haar jeugdigheid. Ze sportte regelmatig en at gezond. Ze was mooi, vrolijk en succesvol in haar werk in de reclamewereld. Ze was christelijk, van protestantse huize en hield –helaas- van Egypte. De kans, dat ze een partner zou vinden met dezelfde eigenschappen en achtergrond, die ook zou willen wonen in Cairo, was klein.

Ze had in het buitenland gestudeerd, en was lange tijd bang geweest om te trouwen en zich voor altijd te binden. Soms verlangde ze naar kinderen. Ze was gewend geraakt aan het gezelschap van oudere mannen, maar plotseling waren die niet meer in haar geïnteresseerd. Degenen die wel interesse in haar toonden, vond zij niet interessant. Dit was de eerste keer dat ze met iemand ging die jonger was dan zij, en ze schaamde zich wanneer ze haar vrienden over onze relatie vertelde.

De bijnaam “Miss Lepel” had Mona May haar gegeven. Toen ze haar tegenkwam bij een concert, droeg ze oorbellen in de vorm van lepeltjes. Diezelfde oorbellen droeg ze nu ook. Ze wiegden heen en weer met de beweging van haar hand, waarmee ze een brood sneed. Ondanks mijn droge keel, had ik aan een stuk door gerookt sinds ik was opgestaan. Sigaretten krijgen een andere smaak door de ochtendbries in Zamalek. Een smaak die lijkt op gelukzaligheid, verlangen, en zachtheid, violet en oranje.

We ontbeten met eieren, vergezeld door plakjes van het beste geïmporteerde varkensvlees, honing, jam en sinaasappelsap. Daarna voelde ik me een ander mens. Zoals de dichter zegt: “Je bent niet jezelf als je honger hebt”. Het was alsof ik wakker werd door haar glimlach, alsof ik ontwaakte onder een tafellaken in restaurant Thomas.

We liepen door de straten van Zamalek in de richting van haar appartement. Ze droeg een dun zilveren kettinkje om haar enkel en haar teennagels waren rood gelakt. Soms liepen we hand in hand, en soms sloeg ik mijn arm om haar heupen. Onder de schaduwen van de bomen lachten we. We glimlachten naar de militairen die op wacht stonden voor de verschillende ambassades, maar hun gezichten ontspanden zich niet.

Ik vroeg me af: Houd ik van haar?

Natuurlijk houd ik van haar, ik kan geen vrouw aanraken van wie ik niet houd. Maar wat is de liefde  eigenlijk? Het is enkel ontspanning in het hart, een serene kalmte in de ziel, warmte in de maag.  Zoals elke liefde in Cairo kan zij elk moment voorbij zijn. Een geliefde voor het gezelschap.

In haar appartement rookten we een sigaret met hasj. Ik streelde haar knie terwijl ze op haar computer een oud liedje van Madonna opzocht. Ik deed haar jurk omhoog tot boven haar knie, en ging op de grond zitten, tussen haar benen. Ik tilde haar voet op en stak mijn tong uit om haar grote teen te likken. Daarna bewoog ik naar boven, en gaf likjes aan haar been, totdat ik aankwam bij haar knie, die ik overlaadde met kussen. “Dat kietelt”, zei ze in het Engels. Ik kuste haar knie, en mijn tong vervolgde zijn reis naar haar dijen. Ik plantte een kus, als de afdruk van een vlinder, op de zachte stof van haar slipje, en trok het met mijn hand weg. Ik dook met mijn tong in haar kutje.

 

Ik had veel gedronken die nacht. Ik dronk die nacht, ik dronk tot ik dorstig werd. Het was de eerste keer dat ik haar met mijn tong, zonder te stoppen, liet klaarkomen. We gingen daarna de slaapkamer in en hadden langzame, relaxte seks. Ze draaide haar rug naar me toe, en ik duwde mijn vingers in haar mond. Nadat zij ze nat had gemaakt met haar speeksel, duwde ik ze in haar kut. Geglij en geglibber. Ik deed hem van achteren naar binnen. Ik pakte haar korte haar vast en trok het naar me toe. Ik stootte ruw in haar, en bleef daarna een paar seconden op haar liggen. Ik stond op van het bed, deed het vieze condoom af en gooide het in de vuilnisbak. Ik glimlachte naar haar. Toen ging mijn telefoon.

 

– Hallo? Waar ben je, man?

 

– Mona… Hoe gaat het? Ik ben in Zamalek.

 

– Oké. Zin om vanavond een biertje te doen?

 

– Is goed.

 

– Ik ben met Samira, we gaan naar de Muqattam-berg.

 

– Hebben jullie een auto?

 

– Ja.

 

– Oké, anders halen jullie me op in Zamalek.

 

– Wanneer?

 

Ze stond op van het bed, met een lieve glimlach om haar mond. De seks was voorbij, wat achterbleef was de genegenheid op onze gezichten: een plaatje van vriendschap en voorkomendheid. Buiten eten mensen elkaar op, dus waarom zouden wij niet wat hoffelijker tegen elkaar zijn?

 

– Zeg… over een uur?

 

– Laten we er anderhalf uur van maken, bij Diwan, de boekhandel.

 

“Oké.”

 

“Doei.”

 

“Tot ziens.”

 

Ik nam een snelle douche, kuste haar en gaf haar een tik op haar billen, als uiting van dankbaarheid misschien. Mijn haar was nog nat toen ik naar buiten stapte. Onderweg naar Diwan neuriede ik ‘Oké.. Doei.. Tot ziens..’

 

Ik rookte een sigaret en wandelde langs de etalage van Diwan, die gevuld was met een collectie Engelse boeken van het soort dat het best verkoopt op luchthavens of in supermarkten. Het soort dat je geest in vet weekt en je hart in olie bakt. Binnenkort kun je vast naast zo’n boek iets van de ‘Kentucky’ meekrijgen. Ik probeerde Mona te bellen, maar ze reageerde niet. Ineens zag ik haar in Samira’s auto, haar hoofd stak uit het raam en ze zwaaide naar mij. Haar haren dansten op de wind, of misschien was het op de luide muziek die uit de radio galmde. De vlaggen aan de straat wapperden en de auto stopte. Ik stapte achterin in en schudde hen beiden de hand.

 

De weg naar Muqattam loopt door de verteerde restanten van de oude stad. Vreemd genoeg kostte het ons slechts zeven minuten om van Zamalek naar de Abd al-Khaliq Tharwatstraat te komen. Normaal gesproken kun je anderhalf uur in de auto zitten voordat je bij de Azhar brug komt, aan het eind van de Abd al-Khaliq Tharwatstraat. Maar op een abnormale dag, zoals vandaag, leek het of Cairo haar voorbijgangers overstelpte met kadootjes.

 

Als de leegte op straat op nationale feestdagen overheerst doen de straten anders aan, zeker in de binnenstad. Mona draagt een lange rok van lichte stof. Ik steek mijn hoofd uit boven de stoelen en kijk naar haar knie. Ze heeft haar rok opgetrokken tot boven haar knieën en rolt een joint. Ik ben afgeleid door haar glimmende knie terwijl Samira aan de volumeknop draait. De gitaar van Jimi Hendrix  klinkt gepijnigd als een hen die haar eerste ei legt. Bovenaan de Azhar brug draai ik mijn raam open. Ik ruik komijn, peper en kardemom. We rijden ‘al Hussein’ district binnen; de geur van iets verbrands, koffiebonen misschien, penetrant in ieder geval.

 

Tussen de huizen in de Dodenstad hangt de lucht van in benzine gebraden lever, zwaar als een regenwolk. Eindelijk onttrekken we ons aan de geuren die Cairo opvullen tot aan de voet van de Muqattam berg. We gaan naar de Virginia bar en bestellen bier.

 

We praten alleen over zaken waar we vrolijk van worden: films die we net hebben gezien, interessante nieuwe muziek, de wonderlijke en vreemde verhalen van Caireense taxichauffeurs, de narren van de stad. De zon gaat onder en Cairo ligt er als een vrolijk plaatje onder; een tweedimensionale Google Earth foto.

 

Temidden van de wildernis aan satellietschotels, afzichtelijke gebouwen en torenflats lag een van de oudste meertjes in de stad. Het is een kleine plas water, het enige wat is overgebleven van de vele waterplassen die de Nijl in de stad achterliet nadat zij in de jaren ‘60 was gekortwiekt door de Hoge Aswandam. Op de achtergrond klinkt de stem van Muhammad Muhyi, die een oud lied zingt van Hifni Ahmed Hassan.

 

Er waait een koele bries. Condensatiedruppels scholen samen op het groene glas van de bierflesjes. De druppels bevochtigen de hand die de fles pakt; de natte handdruk bestendigt de liefde tussen het bier en haar liefhebber.

 

Samira speelt met haar telefoon. Mona pakt haar bier en klinkt het tegen de mijne. Haar glimlach, een pluk van haar haren dansend in de wind, Cairo en de ondergaande zon op de achtergrond. Voor een vluchtig moment voel ik iets wat lijkt op geluk.

 

Ik bracht slechts twee bezoeken aan de geheime bunker nabij de oever van Garden City. De eerste keer alleen met Ihab Hassan. De tweede keer met Ihab en madam Dolat toen we probeerden te schuilen voor een aankomende storm en tientallen andere boze geesten die ons in de straten van Cairo opjaagden.

 

De locatie van de bunker was zelfs voor veel leden van de vereniging geheim. Onderdeel van het gedachtegoed van de vereniging was dat kennis goed gedocumenteerd maar tegelijkertijd verspreid, versnipperd en opgedeeld was. Zo bleef de historische en wereldwijd opgebouwde verborgen kennis van de organisatie bewaard en wist niemand alles. De macht en rijkdom van de organisatie bleef op deze manier eeuwig verspreid. De geheimen waren zichtbaar en onzichtbaar, zonder dat iemand ze kon lokaliseren. Niemand kon de verborgen kennis in al zijn volledigheid bevatten; het was van een verblindend licht.

Ihab bijvoorbeeld kende de verborgen bunker uit een document over de invoering van het rioleringssysteem in Cairo. Hij wist van de geheime obsessie van een van de architectuurscholen binnen de organisatie die zich toelegde op het aanleggen van complexe netwerken van verborgen tunnels en doolhoven onder steden die naar lege, niet met elkaar verbonden, kamers leidden. Veel van deze tunnels en netwerken verdwenen met de tijd; sommigen storten in of liepen onder water maar er bleven enkelen over. Toen een belangrijk figuur binnen de organisatie hierover in de jaren vijftig vernam richtte hij een geheime zusterorganisatie op die tot doel had dergelijke doorgangen in diverse grote steden te onderhouden. Het ging om onder andere Cairo, enkele buitenwijken van Londen, Washington D.C., Rio de Janeiro, enkele wijken in New York, Manhattan, Port Said en Santiago. Ihab wist dit alles maar binnen de bestuursraad was niemand, ook Paprika niet, op de hoogte van deze plaatsen. Wellicht kenden ze alleen de beroemde catacomben van Parijs.

De eerste keer vertelde Ihab me zijn bijna complete verhaal; beginnend vanaf zijn grootvader, de filosoof van de architectuur en ‘de exemplarische belichaming van de gekken uit de periode van de Egyptische negentiende eeuwse renaissance’ ( –zo noemden ze hem in alle flauwigheid) tot zijn eigen huidige positie als administratief hoofd van de organisatie. Hij legde uit hoe hij strijd voerde waarbij hij aan zijn kant een rampzalig, ongeprecedeerd en onnavolgbaar verlies leed. Ik begreep niet waarom hij me dit alles vertelde. Toen ik het eerlijk zei, antwoordde hij met de eenvoud waarmee een man een pinda pelt; “Omdat je een slimme man bent, buiten de organisatie staat en ik je vertrouw.” Zijn verzoek was eenvoudigweg: “Ik wil een website starten.”

Na lange pogingen tot uitleg, vroeg hij om een site die lijkt op ‘Wikileaks’[1]. Ik vroeg hem heel snugger of hij de organisatie wilde ontmaskeren. “Wil je zo’n spel met mij spelen?” vroeg hij. “Je bent een jongeman die zich snel verveelt toch? Ongeinteresseerd natuurlijk. Maar je hebt toch op z’n minst de behoefte om een verhaal te kunnen vertellen?”

Ik nam het aanbod aan, misschien omdat ik inderdaad bang was om de vijfentwintig te passeren zonder dat ik een groot verhaal te vertellen had. Mijn leven ging voorbij in één kleur, de verpletterende kleur van de verveling. Dit spel was een nieuwe deur die openging op mijn levenspad. Gevolg zou zijn dat ik kracht kreeg die me hielp datgene te doen waar ik geen energie voor had.

Mona zat in die tijd vaak te klagen om haar afkeer te laten blijken van haar werk bij een lokaal programmeerbedrijf. Ik legde haar het aanbod voor als een potentiele kans. Ihab beloofde dat hij cash zou betalen, uit zijn eigen zak. Mona zeurde in het begin:

 

“Ik maak geen websites man. Ik werk in de IT. Weet je wat dat is?”

“Maar je hebt wel eens een website gemaakt?”

“Heel lang geleden, in mijn studietijd.”

“Oké, kom gewoon even kennis maken met die jongen. Een kennismaking, meer niet.”

Ik weet zeker dat ik  Mona May nooit eerder zo verbaasd en overdonderd heb zien kijken als tijdens die eerste ontmoeting met Ihab Hassan.  Het was absoluut liefde op het eerste gezicht. Ihab zelf was een en al glimlach. Toen hij een fles oude rode wijn  tevoorschijn haalde was het of hij haar klit kietelde met zijn tong.

“Ik wil gillen van opwinding” zei ze met een honingzachte stem.

Ik smachtte ook naar opwinding. Mij door iemand laten afzuigen deed het hem niet. Ik verlangde naar iets anders. Ik wilde dat iemand in mijn lichaam een bron van verborgen plezier zou aanboren, begraven onder dikke lagen huid, milt, en door de tijd gesedimenteerde bullshit. Ik verlangde naar Mona May. Ik was niet overtuigd van wat Ihab allemaal vertelde, maar geloofde ook niet dat hij loog. Zijn verhaal blies als een zachte bries in mijn gezicht. Er gloorde iets nieuws aan de horizon.

“Kom, laten we het licht volgen,” zei Mona. “en opbranden als de motten.”

Aldus hervatte ze haar voormalige hobby, web design. Natuurlijk zag ze Ihab vaak, zonder mij, en bloeide er iets op. Was ik jaloers?

Natuurlijk niet. Het was allemaal zo magisch en lief. Het geluk in hun ogen wanneer we samen waren was voldoende voor mij. Mona’s hernieuwde levenslust straalde op mij af en stemde mij optimistisch. “Ooit krijg ik het voor elkaar” zei ik tegen mezelf, “dan krijg ik wat ik wil.”

Soms wou ik dat ik deel kon nemen aan hun relatie, als een derde rib.

Ik koesterde dezelfde wens bij Reem en Paprika. In hun nabijheid bestaan was voldoende.  Ik realiseerde mij voor het eerst dat dit de soort liefde was die ik nodig had: in een soort “derde wiel” positie – bungelend tussen realiteit en illusie – vond ik rust.

Toen ik Reem ontmoette om ingelicht te worden over het onderwerp van de derde film voelde ik voor het eerst dat de vereniging mij met huid en haar had opgeslokt. Mijn leven was een puzzel, een labyrintisch netwerk dat zich onder Cairo kronkelend uitstrekte, ontworpen door een van de architecten van de vereniging.
Dit keer troffen we elkaar in Cilantro, in Dokki. De eerste verrassing was dat ze alleen arriveerde, zonder Paprika. De tweede was de rode sjaal die ze rond haar hoofd had gewikkeld, wat later een hijab bleek te zijn.

“Ik probeer al een tijdje te stoppen,” zei ze, terwijl ze een sigaret bij me bietste. Ik gaf haar een vuurtje. Ze blies een dunne rookwolk de lucht in terwijl de ober onze koffie afruimde.

 

[1] Website die verscheen in periode die voorafging aan ‘de storm’, die in het teken stond van het verspreiden van militaire documenten van het Amerikaanse leger en operaties in de Irak-oorlog

 

Advertisements

One thought on “Hoofdstuk 6 uit het boek van Ahmed Naji ‘Het Gebruik Van Het Leven’

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s